Nalatenschap: eerst beschrijven!

image-2015-02-19

Iedereen die met een nalatenschap wordt geconfronteerd weet het: erfrecht is ingewikkeld!
Na het overlijden van een naaste krijg je als nabestaande te maken met allerlei praktische zaken en juridische vraagstukken. Het erfrecht biedt via de wet en testament vele verschillende marsroutes. In de vaak drukke en emotionele tijden is het dan lastig om “zakelijk” te blijven. Het is dan belangrijk om te zoeken naar houvast.

Niet alleen erfgenamen, maar ook executeurs, bewindvoerders en vereffenaars vinden deze houvast door allereerst te beginnen met het maken van een boedelbeschrijving.

Wat is nou een boedelbeschrijving?

Een boedelbeschrijving is een soort balans van de erfenis: letterlijk een overzicht van alle bezittingen (baten) en schulden (lasten) van de erflater. Het is belangrijk om de boedelbeschrijving zo snel mogelijk in kaart te brengen. De beschrijving moet zes maanden na het overlijden zijn opgesteld. Erfgenamen hebben uiteraard recht op een boedelbeschrijving. Ook onterfde kinderen, die als legitimaris een beroep willen doen op hun legitieme portie, hebben recht op informatie over de samenstelling van de nalatenschap.

Wat komt er in een boedelbeschrijving te staan?

In het overzicht moet met naam en toenaam worden vermeld wat er is aan vermogen en schulden, zo mogelijk met vermelding van een bedrag. Bij vermogen valt te denken aan een woning, aandelen, inboedel, auto, sieraden, vorderingen van de erflater op derden, banktegoeden, etcetera. Daartegenover staan eventuele kosten en schulden, zoals de uitvaartkosten, het loon van een executeur, kosten van een boedelnotaris, en bestaande schulden van de erflater voor zijn overlijden. Dit zijn bijvoorbeeld de hypotheekschuld, schulden aan derden of een negatief banksaldo.
In de boedelbeschrijving moeten uiteraard alle bezittingen en schulden vermeld worden. Met opzet bezittingen van de nalatenschap verzwijgen, heeft consequenties voor de betrokken erfgenaam of vereffenaar. Een erfgenaam die bezittingen verborgen houdt, verliest zijn aandeel in dit verzwegen eigendom. In de hoofdmoot van de nalatenschappen komt dit gelukkig niet voor.

Wie maakt de boedelbeschrijving?

De erfgenamen kunnen in onderling overleg zelf een boedelbeschrijving maken. Als er sprake is van een vereffening, zijn de erfgenamen dat zelfs als gezamenlijke vereffenaars verplicht. Het is ook mogelijk dat in het testament aan de executeur of een bewindvoerder is opgedragen om een boedelbeschrijving te maken. Als je de boedelbeschrijving zelf maakt is het een “onderhandse” boedelbeschrijving. De erfgenamen kunnen ook een notaris vragen om de boedelbeschrijving op te stellen. De “boedelnotaris” maakt dan een beschrijving en legt dit aan alle erfgenamen voor. Uiteraard zijn daaraan kosten verbonden, die ook op de boedelbeschrijving komen. Hetzelfde geldt voor de kosten van een aangestelde executeur of vereffenaar voor het maken van de boedelbeschrijving.

Discussie over waarde

Het gebeurt vaak dat de betrokkenen verzanden in een discussie over de financiële waarde van een bepaald goed. Het toekennen van waardes is echter niet het belangrijkste bij een boedelbeschrijving.
In plaats daarvan is het voor alle betrokkenen heel belangrijk om de boedelbeschrijving zorgvuldig en op tijd samen te stellen. Als dit niet lukt, kunnen erfgenamen zich wenden tot de kantonrechter met het verzoek om een boedelbeschrijving te bevelen. De kantonrechter benoemt dan iemand, vaak een notaris, om de boedelbeschrijving in kaart te brengen. De hiermee gepaarde kosten drukken op de nalatenschap.

Tip

Begin op tijd met de boedelbeschrijving. Blijf zakelijk. Het is belangrijk om zo volledig mogelijk te zijn met de beschrijving. Dit biedt als voordeel voor alle belanghebbende partijen dat zij zich een goed beeld kunnen vormen over de nalatenschap. Het is dan makkelijker om de emoties na het overlijden hiervan los te koppelen. Een eventuele discussie over de financiële waarde kan beter worden gevoerd als duidelijk is wat er verder in de nalatenschap zit of als het tijdstip is aangebroken om de nalatenschap te verdelen.

Vragen of hulp nodig bij het beschrijven van een nalatenschap? Neem gerust contact op met onze erfrechtspecialisten. Zij kunnen uw vragen beantwoorden en u desgewenst helpen bij het maken van een behoorlijke beschrijving van de nalatenschapsboedel.

Het (ver)huren van woonruimte voor een minimum huurtermijn

tijdelijk verhuren woonruimte

In een voorgaande blog heb ik een aantal veranderingen besproken met betrekking tot het tijdelijk (ver)huren van woonruimte. Deze veranderingen zijn tot stand gekomen door de wet doorstroming huurmarkt 2015 die per 1 juli 2016 in werking is getreden. De nieuwe wet geldt slechts voor huurovereenkomsten die op of na 1 juli 2016 zijn aangegaan.

Één van de belangrijkste veranderingen van de wet doorstroming huurmarkt 2015 is dat (ver)huurder sindsdien de mogelijk hebben om tijdelijke huurovereenkomsten aan te gaan voor woonruimte. Daarbij geldt dat de huurders de mogelijkheid hebben om de voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst tussentijds op te zeggen (artikel 7:271 lid 1 BW). Uit de parlementaire stukken blijkt dat het doel van de wetgever was dat van deze regel niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken in een huurovereenkomst. De regel is van dwingend recht. Inmiddels heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst eind vorig jaar aangekondigd dat hij zal “bevorderen dat een voorstel tot aanpassing van dit artikel bij gelegenheid bij uw Kamer zal worden ingediend, door een volzin aan het artikellid toe te voegen waarmee wordt bepaald dat elk beding dat in strijd is met die vierde volzin nietig is.”

Ontstaan van onduidelijkheid

Sinds de invoering van de nieuwe wet is er echter onduidelijk ontstaan bij verschillende (professionele) verhuurders. De onduidelijkheid had betrekking op de vraag: Is het sinds 1 juli 2016 nog wel mogelijk om een huurovereenkomst voor woonruimte aan te gaan, waarbij een minimum huurtermijn wordt bedongen? Een voorbeeld daarvan is een huurovereenkomst met een minimale duur van één jaar. Verhuurders beogen daarmee te voorkomen dat een huurder te snel de huurovereenkomst opzegt, aangezien de frequente mutaties tussen huurders (hoge) kosten met zich meebrengen. Het doel van dergelijke huurovereenkomst is dan ook niet om een tijdelijke huurovereenkomst aan te gaan, waarbij de huurder de mogelijkheid hebben om de huurovereenkomst tussentijds op te zeggen. In tegenstelling tot een tijdelijke huurovereenkomst worden de huurders wel beschermd door de gewone huurbeschermingsregels bij een huurovereenkomst voor een minimum huurtermijn.

Opheldering

Inmiddels heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst een aantal Kamervragen over de hierboven beschreven onduidelijkheid beantwoord. U kunt zijn antwoorden teruglezen. De minister heeft daarbij aangegeven dat het niet het doel van de wet doorstroming huurmarkt 2015 is om het aangaan van huurovereenkomsten voor woonruimte met een minimum huurtermijn tegen te gaan en/of te beperken. De minister acht het niet noodzakelijk om de nieuwe wet op dit punt te verduidelijken, aangezien de mogelijkheid om woonruimte tijdelijk te (ver)huren als aanvulling is bedoeld op de reeds bestaande verhuurmogelijkheden van woonruimte.

Tip

Uit het voorgaande blijkt dat het sinds 1 juli 2016 nog steeds mogelijk is om een huurovereenkomst voor een minimum huurtermijn aan te gaan. De huurder wordt daarbij beschermd door de gewone huurbeschermingsregel. Bij het aangaan van een dergelijke huurovereenkomst is het voor verhuurders van belang om het beoogde doel daarvan duidelijk te verwoorden c.q. op te nemen in de huurovereenkomst. Wees er tevens op alert dat de kans bestaat dat de (ver)huurders nog niet geheel op de hoogte zijn van de veranderingen die gelden per 1 juli 2016 door de wet doorstroming huurmarkt 2015. Let hier dus goed op en mocht u vragen hebben over het aangaan van een huurovereenkomst voor een minimum huurtermijn, neem dan contact met ons op voor juridisch advies.

Januari 2017, mr. Colin Houth

Limitering en nihilstelling partneralimentatie. Het kan al!

Alimentatie Nieuwe partner?

Op dit moment is het initiatiefwetsvoorstel-Van Oosten, Recourt en Swinkels Wet herziening partneralimentatie in behandeling bij de Tweede Kamer. Waar alle betrokken partijen het over eens zijn, is dat het huidige stelsel op de schop moet. De partneralimentatie moet eerlijker, simpeler en korter. De vraag is: op welke wijze?

Momenteel geldt dat indien de rechter geen termijn vaststelt, de verplichting tot betaling van partneralimentatie van rechtswege eindigt na twaalf jaar. Aan de toekenning van partneralimentatie kunnen voorwaarden worden gesteld. In uitzonderingsgevallen kan de termijn van twaalf jaar op verzoek worden verlengd. Indien een huwelijk korter dan vijf jaar heeft geduurd en kinderloos is gebleven, geldt een termijn gelijk aan de duur van het huwelijk, tenzij de rechter een andere termijn vaststelt. De door de rechter vastgestelde termijn mag niet langer zijn dan de duur van het huwelijk.

De initiatiefnemers kiezen ervoor de termijn van vijf jaar als uitgangspunt te nemen met een tweetal uitzonderingen. Voor huwelijken die korter hebben geduurd dan drie jaar ontstaat geen recht op partneralimentatie. Daarnaast eindigt de verplichting tot betaling van partneralimentatie in ieder geval indien de alimentatieplichtige de AOW gerechtigde leeftijd bereikt. De initiatiefnemers stellen de kansen van de alimentatiegerechtigde op de arbeidsmarkt als uitgangspunt, alsmede de contractvrijheid van partijen. Het initiatiefwetsvoorstel voorziet daarnaast in een prikkel voor de alimentatiegerechtigde om (weer) op eigen benen te gaan staan.

De termijn van vijf jaar genoemd in het initiatiefwetsvoorstel beperkt de verplichting tot betaling van partneralimentatie aanzienlijk. Wat vaak vergeten wordt, is dat het op grond van de wet nu al mogelijk is de termijn van twaalf jaar te limiteren. Steeds vaker wordt een verzoek om limitering/nihilstelling toegewezen. De jurisprudentie lijkt daarmee te anticiperen op het initiatiefwetsvoorstel, maar de rechters passen daarbij de al geldende wetgeving toe.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage overweegt in zijn beschikking van 14 september 2016 dat een academisch gevormde vrouw binnen drie jaar volledig in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien (ECLI:NL:GHDHA:2016:2737). De partneralimentatie wordt na drie jaar op nihil gesteld. Daarbij speelt een rol dat de vrouw betrekkelijk jong is (36 jaar) en uit het huwelijk van partijen geen kinderen zijn geboren.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 29 september 2016 overwogen dat het redelijk en billijk is dat een man slechts voor een periode van vijf jaar partneralimentatie betaalt aan een vrouw na een langdurig huwelijk (ECLI:NL:RBDHA:2016:11792). Partijen zijn vanuit Nederland naar Canada verhuisd. Voor de verhuizing vervulde de vrouw een functie in de zorg op directieniveau. De rechtbank ’s-Gravenhage acht de vrouw in staat op termijn een functie op haar oude niveau te verwerven. De leeftijd van de vrouw, haar curriculum vitae en haar netwerk binnen de zorg moeten de vrouw in staat stellen een inkomen te generen om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Verschillende omstandigheden kunnen er toe leiden dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie wordt gelimiteerd, dan wel op nihil wordt gesteld. Mogelijk ook in uw geval. Daarvoor is het niet van belang of het initiatiefwetsvoorstel er door komt. Heeft u hulp nodig, wilt u advies of wenst u overleg, wij helpen u graag!

mw. mr. N.P.M. Planthof
Advocatenkantoor Zeeland
0113 – 277000

Help, de buren veroorzaken overlast!

Vastgoed

Veel mensen herkennen het wel: zit je ’s zomers net lekker in je tuin te genieten van het prachtige weer, gaan de buren wéér barbecueën. Door alle rook en stank kun je niet meer buiten zitten, je moet de was binnenhalen en moet je alle ramen en deuren gesloten houden.

Opgesloten in je eigen huis. Belachelijk toch?

Of je denkt een avondje rustig op de bank een boek te lezen of van de tv te kunnen genieten, gaat de buurvrouw de hele avond pianospelen. En ze kan niet eens pianospelen!

Overlast van geluid, rook of geur is een vaak voorkomend probleem bij buren, dat tot veel ergernis kan leiden.

Wat te doen?

Overlast is een subjectief begrip: wat door de één als overlast wordt ervaren, wordt door de ander aanvaardbaar geacht. Overlast veroorzaken is op zichzelf dan ook niet verboden. Op grond van de wet is alleen het veroorzaken van onrechtmatige overlast verboden. Of overlast onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst, de duur en de omvang van de overlast. Een keer de radio of tv hard aan, elke week een uur pianospelen, of vier of vijf keer per maand barbecueën, is meestal niet onrechtmatig.

Overlast moet dus tot op zekere hoogte geaccepteerd worden. In het drukke stadscentrum zal men ook meer moeten tolereren dan in een rustige woonwijk en in een buitenwijk zal men weer meer moet accepteren dan op het platteland. Zo kan een kraaiende haan in het centrum van een stad onrechtmatige overlast veroorzaken, terwijl dat op het platte land niet snel het geval zal zijn.

Of overlast wel of niet is toegestaan, hang dus af van veel factoren en dient van geval tot geval te worden beoordeeld.

Tip

Probeer afspraken te maken met uw buren of schakel buurtbemiddeling in en pas als dat niet lukt kunt u juridische stappen overwegen.

Wij hebben veel ervaring met dit soort burenrechtelijke problemen. Wij kunnen u hierover dan ook uitvoerig adviseren en u behulpzaam zijn bij het oplossen van dit soort geschillen. Heeft u vragen of een probleem, neem dan gerust contact met Helderecht Advocaten op: 055 – 521 24 91.

mr. Marc Molenaar

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst is nog mogelijk

Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) bestond er onduidelijkheid over de vraag of een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog mogelijk was. De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 ( ECLI:NL:PHR:2016:998) prejudiciële vragen hierover beantwoord. Het voorwaardelijk ontbinden van een arbeidsovereenkomst is nog steeds mogelijk, maar op beperktere schaal.

Situatie voor en na de WWZ

Wanneer voor 1 juli 2015 een werknemer op staande voet werd ontslagen, dan verzocht de werkgever meestal ook om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was gegeven. Zou in rechte vast komen te staan dat de arbeidsovereenkomst nog zou bestaan, kwam de arbeidsovereenkomst alsnog ten einde door de (voorwaardelijke) ontbinding als deze werd toegewezen. Op deze manier werd het risico van een aanzienlijke loonvordering beperkt.

Onder het oude recht was het mogelijk om een ontslag op staande voet ook buitenrechtelijk te vernietigen. Dus simpelweg met een mededeling daarvan aan de werkgever. De rechter toetste dan of de vernietiging terecht was of niet. Sinds de invoering van de WWZ is buitengerechtelijke vernietiging van een ontslag niet meer mogelijk. Wordt een werknemer nu op staande voet ontslagen, dan dient deze binnen twee maanden na het gegeven ontslag de rechter te verzoeken het ontslag te vernietigen. Doet de werknemer dat niet binnen de gestelde termijn, dan blijft het gegeven ontslag in stand.

Na 1 juli 2015 hebben meerdere rechters zich uitgelaten over de vraag of een voorwaardelijke ontbinding nog mogelijk was. Hierop werd verschillend geantwoord. Aan een kantonrechter te Enschede werd dit vraagstuk ook voorgelegd. Hij heeft de Hoge Raad zogenaamde prejudiciële vragen gesteld over dit vraagstuk. Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord. Hieronder zal ik dit arrest bespreken.

Gelijktijdig behandelen en beslissen

De Hoge Raad overweegt dat de wetsgeschiedenis geen aanwijzing bevat dat voorwaardelijke ontbinding na de invoering van de WWZ niet meer mogelijk zou zijn. Met andere woorden kan een dergelijk verzoek nog steeds worden ingediend.

Daarbij geeft de Hoge Raad wel aan dat gezien de doelstellingen van de WWZ (vereenvoudiging en bevordering van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid) geschilpunten over een ontslag op staande voet en een ontbinding van de arbeidsovereenkomst waarbij overwegend hetzelfde feitencomplex van toepassing is, zoveel mogelijk gelijktijdig behandeld moeten worden. Ook zou daarover gelijktijdig over beslist moeten worden. De Hoge Raad gaat vervolgens in op de praktische uitwerking hiervan in verschillende situaties.

Verzoek tot ontbinding voor verzoek tot vernietiging

Wanneer een werkgever een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indient voordat de werknemer vernietiging van het ontslag op staande voet heeft verzocht, dan dient de kantonrechter volgens de Hoge Raad de behandeling van het verzoek aan te houden totdat de vervaltermijn van twee maanden is verstreken. Volgt er geen verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag, dan kan de behandeling van het verzoek van de werkgever uitblijven. Immers wordt aan de voorwaarde niet voldaan, het ontslag blijft in stand. Zou in dit geval een onherroepelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zijn ingediend, dan zal de kantonrechter het verzoek afwijzen. De werkgever heeft immers geen belang meer bij de vordering omdat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat.

Dient de werknemer wel tijdig een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in, dan is het volgens de Hoge Raad wenselijk dat de kantonrechter beide zaken gelijktijdig behandelt en daarover ook gelijktijdig beslist.

Verzoek tot vernietiging, gevolgd door verzoek tot voorwaardelijke ontbinding

In het geval een werknemer een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet indient en de werkgever daarna verzoekt om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dan dient de kantonrechter deze zaken ook gelijktijdig te behandelen.

Het kan voorkomen dat in één van de twee zaken zich een vertraging voordoet, bijvoorbeeld in verband met bewijslevering. De kantonrechter dient dan volgens de Hoge Raad de wenselijkheid van een spoedige beslissing in de ontbindingsprocedure in het concrete geval af te wegen tegen de wenselijkheid van een samenhangende behandeling en beslissing van het gehele tussen partijen bestaande geschil. Daarbij geeft de Hoge Raad aan dat er geen onevenredige vertraging mag ontstaan. Daarvan is echter niet direct sprake wanneer er bijvoorbeeld in een ontslagprocedure een tussenuitspraak wordt gedaan en in dat verband ook de ontbindingsprocedure wordt aangehouden. Of de behandeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek toch doorgaat, is dus aan de behandelend rechter.

Behandeling zaken bij verschillende rechters

Indien de ontbindingsprocedure voor zover vereist en de vernietigingsprocedure van het ontslag op staande voet bij twee verschillende rechters aanhangig zijn gemaakt, meent de Hoge Raad dat er sprake zou moeten zijn van verwijzing. Een zaak dient derhalve te worden verwezen naar de andere rechter, zodat beide zaken alsnog door dezelfde rechter worden behandeld en beslist.

Ontbindingsverzoek ook op andere grondslagen

Het is niet ongebruikelijk dat voor de ontbindingsprocedure aan het ontbindingsverzoek ook andere redenen ten grondslag zijn gelegd dan aan het op staande voet gegeven ontslag. Dit neemt volgens de Hoge Raad niet weg dat beide verzoeken ook in dat geval nauw verbonden zijn. Ook in een dergelijk geval geldt het uitgangspunt van gelijktijdige behandeling en beslissing door dezelfde rechter.

De Hoge Raad overweegt overigens ook nog expliciet dat een voorwaardelijk ontbindingsverzoek kan worden gegrond op dezelfde feiten en omstandigheden als die welke aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd.

In hoger beroep een andere uitkomst mogelijk

Sinds de invoering van de WWZ staat ook hoger beroep open tegen een ontbindingsbeschikking. In het nieuwe recht is daarom een regeling gegeven voor het geval de rechter in hoger beroep of na verwijzing oordeelt dat het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de ontbinding ten onrechte is toegewezen, of dat het verzoek van de werknemer strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet of tot herstel van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen. In een dergelijk geval kan de appelrechter veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. Is het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte afgewezen, dan kan de appelrechter bepalen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Dit is geregeld in artikel 7:683 lid 3, 5 en 6 BW.

De Hoge Raad overweegt dat nu de mogelijkheid van hoger beroep bestaat, de appelrechter vrij moet zijn om de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar opnieuw vast te stellen. De appelrechter moet zijn bevoegdheid in volle omvang kunnen uitoefenen met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing relevante feiten en omstandigheden van het geval. Dit is de reden waarom de Hoge Raad heeft overwogen dat de kantonrechter nooit een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan uitspreken voor het geval de appel- of verwijzingsrechter anders dan de kantonrechter het op staande voet gegeven ontslag zou vernietigen. Met andere woorden kan een voorwaardelijke ontbinding alleen worden verzocht voor het geval dat het ontslag op staande voet door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd.
Het voorgaande betekent volgens de Hoge Raad dat een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding nog mogelijk is, maar op beperktere schaal toewijsbaar is dan het geval was onder het tot 1 juli 2015 geldende recht. Het kan volgens de Hoge Raad echter nog wel zinvol zijn om een zodanig verzoek te doen, omdat langs die weg de gevolgen van het eventuele oordeel dat het op staande voet gegeven ontslag niet gerechtvaardigd was, in de desbetreffende instantie kunnen worden beperkt.

Bewijsrecht geldt ook bij (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek

Tot slot heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag of ook naar geldend recht de rechter in een ontbindingsprocedure niet aan de wettelijke bewijsregels is gebonden. Dit had de Hoge Raad in een eerder arrest onder het oude recht bepaald in verband met het feit dat een ontbindingsprocedure voor 1 juli 2015 ten doel had om een spoedige beslissing te verkrijgen. Nu de middelen van hoger beroep en cassatie openstaan tegen een ontbindingsbeschikking is deze motivering komen te vervallen. De Hoge Raad overweegt dan ook dat als uitgangspunt moet worden aanvaard dat de wettelijke bewijsregels van overeenkomstige toepassing zijn in ontbindingsprocedures. In de regel kan niet meer worden gezegd dat de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Daarbij merkt de Hoge Raad nog wel op dat wanneer een rechter na afweging van de belangen van beide partijen aanleiding ziet om in een ontbindingsprocedure eerder te oordelen dan in de gelijktijdig aanhangige ontslagprocedure, de kantonrechter óók naar huidig recht bevoegd is om de wettelijke bewijsregels buiten toepassing te laten. Dit dient de rechter dan wel te motiveren.

Duidelijkheid, maar voorzichtigheid altijd vereist

Gezien het bovenstaande heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven omtrent de (on)mogelijkheden voor het indienen van een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Duidelijk is geworden dat de “ouderwetse” vangnetmogelijkheid bij ontslag op staande voet middels het indienen van een voorwaardelijk verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, geen toepassing meer vindt. In hoger beroep is alles weer mogelijk.

Een ontslag op staande voet bracht altijd al de nodige risico’s met zich. Reden waarom ik werkgevers altijd al adviseerde in een dergelijk geval (spoedig) een deskundige te raadplegen. Gezien het bovenstaande is de onzekerheid onder het nieuwe recht in het geval van een ontslag op staande voet vergroot. Reden te meer om in het geval van een mogelijk ontslag op staande voet tijdig deskundige bijstand in te schakelen.

Overweegt u een werknemer op staande voet te ontslaan of bent u op staande voet ontslagen, neem dan contact op met een van de specialisten arbeidsrecht van Helderecht Advocaten.

Oudere berichten