Hoe dient de rechter om te gaan met medische rapporten?

image-2015-02-19

Centrale Raad van Beroep ontwikkelt uitgangspunten hoe de rechter om dient te gaan met medische rapporten en medische adviezen van verzekeringsartsen van het UWV (uitwerking arrest Korošec).

Achtergrond

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als allround medewerker in de bouw voor 40 uur per week. Nadat het Uwv aanvankelijk had geweigerd betrokkene voor een Ziektewetuitkering toe te kennen, is – nadat daartegen bezwaar en beroep was aangetekend – alsnog een uitkering toegekend. In het kader van de beroepsprocedure had betrokkene een rapport van een orthopedisch chirurg ingebracht. Dit rapport vormde aanleiding van het gewijzigd standpunt van het UWV. Na het einde van de wachttijd wordt betrokkene in het kader van de Wia-beoordeling minder dan 35 procent arbeidsongeschikt geacht. Hiertegen tekent betrokkene bezwaar, beroep en uiteindelijk hoger beroep aan.

Beroep op Korošec-arrest

In hoger beroep heeft betrokkene vooropgesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts van het UWV ten grondslag ligt. Meer in het bijzonder heeft betrokkene aangevoerd dat het UWV onvoldoende acht heeft geslagen op de medische gegevens die uit de procedures in verband met de weigering van het ziekengeld zijn verkregen. Met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015, Korošec) heeft betrokkene betoogd dat de rechtbank het beginsel van de equality of arms heeft miskend door niet over te gaan tot benoeming van een deskundige of in elk geval de orthopedisch chirurg, die eerder in de Ziektewetzaak had gerapporteerd, te raadplegen. Betrokkene heeft daartoe betoogd dat er in de beoordelingssystematiek van het UWV altijd een zekere mate van ongelijkheid bestaat en dat het idee lijkt te overheersen dat de verzekeringsarts overal verstand van heeft. Betrokkene heeft zelf niet opnieuw de chirurg ingeschakeld, omdat de kosten te hoog waren.

Korošec nader beschouwd

In het arrest Korošec is, onder verwijzing naar eerder arresten van het EHRM, overwogen dat voor de ’neutrality’ van een door de (bestuurs)rechter benoemde (medisch) deskundige de volgende factoren van belang zijn:
1. de aard van de aan de deskundige opgedragen taak;
2. de positie van de deskundige in de hiërarchie tot het betrokken bestuursorgaan, en
3. de rol van de deskundige in de procedure, in het bijzonder het gewicht dat door de rechter aan het deskundigenoordeel wordt toegekend.

Het EHRM heeft in het arrest Korošec en in het arrest Spycher bepaald dat deze factoren ook van belang zijn bij de beoordeling van de onpartijdigheid van medisch deskundigen die in opdracht van een bestuursorgaan een advies uitbrengen en waarbij die adviezen een rol spelen in de rechterlijke procedure. Het EHRM benadrukt dat het recht op een eerlijk proces onder andere omvat dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat er sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij.

Oordeel Centrale Raad van Beroep

De CRvB oordeel dat er in beginsel sprake is van een ongelijke positie van betrokkene ten opzichte van de verzekeringsarts van het UWV. Als gevolg van het gegeven dat een verzekeringsarts in dienstbetrekking tot het UWV staat, dan wel anderszins een overeenkomst heeft met het UWV als procespartij, kan twijfel rijzen aan de onpartijdigheid van deze verzekeringsarts. Dit kan zich ook voordoen bij andere deskundigen die in opdracht van het UWV onderzoek verrichten. Dit betekent dat een betrokkene in zoverre in beginsel niet in een gelijke positie ten opzichte van het UWV verkeert.

Taak bestuursrechter

Uit de genoemde arresten van het EHRM vloeit onder meer voort dat de twijfel aan de onpartijdigheid van de medisch deskundige niet leidt tot een schending van artikel 6 EVRM als deze twijfel niet objectief kan worden gestaafd. In dat kader is van belang dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. De toetsing wordt bepaald door de gronden die een betrokkene aanvoert tegen de medische onderbouwing van de besluitvorming en het bewijs dat een betrokkene in dat verband aanvoert. Er zijn drie stappen die door de bestuursrechter moeten worden doorlopen:
Stap 1: De zorgvuldigheid van de besluitvorming
De rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn.
Stap 2: Equality of arms
In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het UWV bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. De betrokkene kan in dit geval bijvoorbeeld alsnog de gelegenheid krijgen om (medische) gegevens in te brengen of in de gelegenheid gesteld worden om zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat deze verduidelijkt wat nodig is.
Als het de betrokkene in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn (hoger) beroep te hebben ingediend of de bestuursrechter de door betrokkene ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld omdat een behandelend arts genoodzaakt is de informatie beperkt te verstrekken, ligt het op de weg van de bestuursrechter betrokkene voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke (medisch) deskundige.
Stap 3: Inhoudelijke beoordeling
Een betrokkene kan door zijn gemotiveerde betwisting van wat is geconcludeerd over zijn mogelijkheden en beperkingen voor het verrichten van arbeid twijfel doen ontstaan over de juistheid van de beoordeling door het UWV. Als twijfel aan de juistheid van de beoordeling – na een eventuele reactie van het UWV – niet bij de bestuursrechter wordt weggenomen kan ook daarin reden bestaan dat de bestuursrechter een (medisch) deskundige benoemt.

Bij afwijzing van het verzoek om een deskundige in te schakelen moet de bestuursrechter motiveren waarom hij zich op basis van de door partijen ingebrachte medische informatie voldoende in staat acht het tussen hen bestaande geschil te beslechten.

Eindoordeel Centrale Raad van Beroep

De CRvB past de stappen toe en stelt vast dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Verder geeft de CRvB aan dat betrokkene voldoende ruimte heeft gehad om in de beroepsfase (nadere) medische stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat. In hoger beroep heeft betrokkene evenmin nadere medische stukken ingediend en heeft hij ermee volstaan te verwijzen naar het door hem in de ZW-procedure ingebrachte deskundigenrapport van orthopedisch chirurg. Van een schending van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is tot benoeming van een deskundige. De door betrokkene naar voren gebrachte grond dat sprake is van schending van equality of arms omdat hij de kosten van het opnieuw inschakelen van een orthopedisch chirurg als deskundige niet kan dragen, kan daarom niet slagen.

Vindplaats

Centrale Raad van Beroep d.d. 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gelijktijdig uitspraak gedaan over het toetsingskader van de bestuursrechter waarbij medische adviezen aan de orde zijn. Deze uitspraak is gepubliceerd. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is te vinden onder ECLI:NL:RVS:2017:1674.

Dit artikel is geschreven door mr. Ronald Muurlink.
Mocht u nadere informatie willen over dit onderwerp of een afspraak willen maken dan kunt contact met hem opnemen of één van de andere leden van onze vakgroep Arbeidsrecht;
Advocaten:
Alkmaar : Ronald Muurlink, Roel van Velzen.
Den Helder : Marieke Frank.

Defecte telefoon; recht op een nieuw toestel?

Met wie doet u zaken?

De Rechtbank Amsterdam heeft op 8 juli 2017 uitspraak gedaan in een zaak tussen eiseres, een koper van een Iphone en gedaagde, Apple Retail Netherlands B.V. Eiseres had in december 2014 een Iphone 6 gekocht van Apple voor een bedrag van € 799,- inclusief BTW. Het jaar daarop in augustus startte de Iphone niet meer op. Eiseres heeft daarop contact opgenomen met Apple. De Iphone bleek niet meer te kunnen worden gerepareerd. Apple bood daarop een “refurbished” Iphone 6 aan.

Een “refurbished” (vertaling: gerenoveerd) toestel is een toestel dat door de koper is teruggebracht naar de verkoper. Het toestel wordt door de verkoper eventueel gerepareerd, onderdelen worden vervangen, het toestel wordt opgepoetst uitvoerig getest. Indien blijkt dat het toestel functioneert en eruit ziet als een nieuwe telefoon, dan mag de verkoper het toestel als een refurbished toestel verkopen. Het voordeel van een dergelijk toestel is uiteraard de lagere aanschafprijs.

Eiseres accepteerde het aangeboden refurbished toestel niet. Zij stelde zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 7:21 BW recht had op een nieuwe Iphone. Genoegen nemen met een hersteld tweedehands toestel hoeft zij niet. De gemachtigde van eiseres heeft vervolgens de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

Het oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter stelt vast dat de Iphone niet aan de overeenkomst beantwoordt. Er is in deze zaak sprake van non-conformiteit. Eiseres hoefde niet te verwachten dat een toestel met een dergelijke prijs al na acht maanden onherstelbaar kapot zou gaan. Hierbij is volgens de kantonrechter nog van belang dat Apple een garantieregeling van een jaar hanteert. Aangezien herstel van het toestel niet meer mogelijk is, staat de vraag centraal of Apple heeft voldaan aan het vervangen van de afgeleverde zaak ex artikel 7:21 lid 1 sub c BW door een refurbished toestel aan eiseres aan te bieden.

 

De kantonrechter stelt vast dat artikel 7:21 BW is gebaseerd op de Richtlijn 1999/44/EG en baseert zijn oordeel op een overweging uit het arrest Quelle van het Hof van Justitie van 17 april 2008 (ECLI:EU:C:2008:231). De kantonrechter oordeelt dat Apple niet heeft voldaan aan het vervangen van de afgeleverde zaak door een refurbished toestel aan te bieden. Apple dient namelijk een nieuw toestel aan te bieden. Apple heeft dit geweigerd, waardoor eiseres de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Hierdoor ontstaat tussen partijen een ongedaanmakingsverbintenis. Deze verbintenis houdt in dat enerzijds Apple het aankoopbedrag ad € 799,- aan eiseres dient terug te betalen. Anderzijds dient Eiseres de Iphone aan Apple terug te geven.

Conclusie

Uit de hierboven besproken uitspraak volgt dat een koper geen genoegen hoeft te nemen met een hersteld tweedehands toestel. De koper heeft namelijk recht op een nieuw toestel. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de uitkomst echter anders zijn. Daarbij is onder meer de aanschafprijs en het moment van openbaring van het defect van belang. In dergelijke zaken is in ieder geval vereist dat vast komt te staan dat het gekochte toestel niet aan de overeenkomst beantwoordt. De bewijslast daarvan rust op de koper.

Is uw toestel defect geraakt en weigert Apple het toestel te herstellen of te vervangen voor een nieuw toestel, neem dan contact op met ons kantoor op. Wij staan u graag bij.

Mr. C. Houth

Doorstart: overgang van de onderneming?

Faillissementsrecht

Op 22 juni 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-126/16) op verzoek van de rechtbank Midden-Gelderland ( 3821875/ MC EXPL 15-951) vragen beantwoord over de regels die gelden bij een overgang van de onderneming en een faillissement. Deze uitspraak is van belang voor de Nederlandse overnamepraktijk.

De wet: rechten bij overgang van de onderneming en faillissement

Wanneer er sprake is van een overgang van de onderneming gaan alle rechten en verplichtingen van de werknemers die in de onderneming werkzaam zijn over op de partij die de onderneming verkrijgt. Dit is geregeld in artikel 7:662 e.v. BW. Deze regel geldt niet, zo staat in de wet in artikel 7:666 te lezen, in situaties waarin de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort. Met andere woorden gaan werknemers van een gefailleerd bedrijf niet automatisch mee over in het geval van een doorstart na het faillissement. De verkrijgende partij kan dan “kiezen” welke werknemers zij in haar onderneming werkzaam wil laten zijn en zij kan ook de arbeidsvoorwaarden zelf bepalen. Dit maakt het overnemen/ doorstarten van een onderneming voor een geïnteresseerde partij een stuk interessanter.

Een voor het faillissement voorbereide doorstart: pre-pack

De laatste jaren wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde pre-pack constructie. Deze houdt in dat een onderneming die failliet dreigt te gaan de rechtbank vraagt wie in het geval van een faillissement als curator aangesteld zou worden en wie tot rechter-commissaris benoemd zou worden. Deze toekomstige curator en rechter-commissaris worden dan benaderd door de onderneming en worden betrokken bij een plan om de onderneming na faillissement een doorstart te laten maken middels een activatransactie. De toekomstige curator heeft geen bevoegdheden. Hij kijkt en denkt mee. Het is de bedoeling dat het plan wordt uitgekristalliseerd en dat de activatransactie direct kan plaatsvinden nadat het faillissement is uitgesproken. De curator krijgt na het faillissement (als hij dus officieel is aangesteld) de bevoegdheid om deze transactie, na goedkeuring door de rechter-commissaris, uit te voeren. Middels deze constructie wordt veelal een zo hoog mogelijke opbrengst gegeneerd voor de failliete onderneming. Deze constructie is bijvoorbeeld gebruikt bij het faillissement van Schoenenreus. Deze constructie is echter (nog) niet in de wet verankerd.

Casus

In het faillissement van de Estro Groep B.V. (2014) is ook gebruik gemaakt van de pre-pack constructie. Estro Groep was het grootse kinderopvangbedrijf in Nederland, ongeveer 380 vestigingen en 3600 medewerkers. Na het faillissement heeft Smallsteps B.V. ongeveer 250 vestigingen overgenomen en 2600 werknemers. Vier werknemers die geen nieuwe arbeidsovereenkomst zijn aangeboden, zijn samen met de FNV een procedure gestart tegen Smallsteps. De stelling die ingenomen wordt is, dat er sprake is van een overgang van de onderneming en dat dus alle werknemers van rechtswege overgegaan zijn naar Smallsteps. Er wordt een beroep gedaan op de Europese Richtlijn 2001/23/EG. Dit is de richtlijn die de werknemersrechten beoogt te beschermen in geval van overdracht van ondernemingen.

In de richtlijn is in artikel 5 lid 1 bepaald: “Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn). (…)”

FNV en de werknemers stellen zich, kort gezegd, op het standpunt dat een pre-pack gericht is op een doorstart van een bedrijf en dat de uitzonderingssituatie als hiervoor benoemd niet opgaat waardoor de werknemers automatisch in dienst zijn getreden bij Smallsteps. De rechter die hierover moet oordelen heeft het Hof van Justitie, simpel gezegd, gevraagd of de arbeidsrechtelijke regels ten aanzien van een overgang van de onderneming wel gelden in het geval de doorstart plaatsvindt na een pre-pack voorbereiding.

Uitspraak Hof van Justitie

Het Hof legt uit dat zowel bij “faillissementsprocedures” als bij “soortgelijke procedures” aan de twee voorwaarden moet worden voldaan. De procedures moeten dus gericht zijn (1) op liquidatie van het vermogen van de onderneming en dit moet gebeuren (2) onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie.

Omdat in het geval van een pre-pack de voorbereiding voor het faillissement plaats vindt, maar de uitvoering erna, valt deze constructie volgens het Hof onder de noemer van failissementsprocedure in de zin van de richtlijn. Aan de twee voorwaarden wordt volgens het Hof echter niet voldaan. Hoewel het Hof ook wel begrijpt dat er een overlap kan bestaan tussen het liquidatie- en continuïteitsdoel, oordeelt het Hof dat wanneer het hoofddoel van de procedure gericht is op behoud van de onderneming, die procedure voortzetting van de activiteit van die onderneming beoogt. Volgens het Hof is in het geval van een pre-pack behoud van de onderneming het hoofddoel. Daarmee wordt niet voldaan aan het eerste vereiste en zijn de beschermende bepalingen in het geval van een overgang van de onderneming wel van toepassing.

Ook aan de tweede voorwaarde wordt niet voldaan volgens het Hof omdat er geen wettelijke grondslag bestaat voor de werkzaamheden die de toekomstig curator en de toekomstig rechter-commissaris uitvoert tijdens de voorbereidende fase.

De procedure gaat verder

Aan de hand van dit oordeel van het Hof zal de rechtbank Midden-Gelderland (uiteindelijk) vonnis moeten gaan wijzen in de onderhavige zaak. Ik ben benieuwd hoe dit vonnis gaat luiden. De (juridisch zeer interessante) vraag komt namelijk aan de orde of artikel 7:666 wel richtlijnconform is uit te leggen. De Nederlandse rechter moet namelijk de Nederlandse wet toepassen. Als het goed is, zijn de Europese richtlijnen goed doorgevoerd in de Nederlandse wet. De vraag is of dat ook in deze het geval is. Een rechter mag een wetsartikel wel uitleggen in de zin van een Europese Richtlijn, dus zoals het Hof in deze heeft uitgelegd, maar daarvoor moet het wetsartikel wel de ruimte bieden. Is een wetsartikel niet voor andere uitleg vatbaar, dan dient de rechter de Nederlandse wet toe te passen. Een rechter mag hier niet tegen in gaan. Een uitspraak kan dan dus toch strijdig zijn met het Europese recht. In dat geval kan de Staat onrechtmatig handelen jegens een gedupeerde van de verkeerde doorvoering van de Europese Richtlijn in de wet. Het voert echter te ver om hier in dit artikel nader op in te gaan. Ik verwacht overigens dat de rechtbank hier wel een mouw aan weet te passen. In ieder geval wacht ik dit vonnis met belangstelling af.

Gevolgen

Gezien het oordeel van het Hof is dit mijns inziens het einde van de succesvolle pre-pack. Immers zal nu de partij die een onderneming die failliet dreigt te gaan zou willen overnemen, er rekening mee moeten houden dat deze het volledige werknemersbestand erbij krijgt. Dat maakt een overname mogelijk een stuk minder interessant. Een vraag die bij mij ook opkomt is of deze uitspraak ook gevolgen heeft voor de situatie waarin een snelle doorstart wordt gerealiseerd, ook na een “regulier” faillissement. Wat is dan te beschouwen als het hoofddoel: liquidatie of continuïteit? Oftewel gaan ook dan de werknemers van rechtswege mee over? Ik verwacht niet dat het in zo’n vaart zal lopen, maar het is wel een aspect waar mijns inziens rekening mee gehouden zal moeten worden.

Ik waag het te betwijfelen of deze uitspraak ook daadwerkelijk bijdraagt aan het doel van de richtlijn, het beschermen van de werknemersbelangen bij een overdracht van ondernemingen. Ja, de werknemers van de failliete onderneming behouden werk in het geval van een succesvolle doorstart na een pre-pack. Maar zullen er nu nog wel evenveel succesvolle doorstarts plaats gaan vinden? Naar welke kant de weegschaal uit zal slaan, zal de toekomst ons leren.

Bent u voornemens uw onderneming over te dragen of wilt u een onderneming overnemen? Helderecht voorziet u graag van juridisch advies.

mr M. Verkuijl-Boessenkool
juli 2017

Ontslagvergoeding, en de persoonlijke omstandigheden

euros-1503041-1279x961

De ontslagvergoeding anno 2017 bestaat uit een wettelijke transitievergoeding, en indien van toepassing een billijke vergoeding. Voor de billijke vergoeding heeft de wetgever niet bepaald hoe hoog deze dient te zijn, en hoe deze berekend dient te worden.

Transitievergoeding

Voor 1 juli 2015 ontving een ontslagen werknemer niet standaard een ontslagvergoeding. Een werkgever had de keuze om een ontslagprocedure via het UWV of een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter te starten. De werkgever hoefde na een UWV-procedure geen ontslagvergoeding aan de ontslagen werknemer te betalen. In geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ontving de ontslagen werknemer veelal wel een ontslagvergoeding. De kantonrechter had daarbij een (grote) mate van vrijheid om alle omstandigheden van het geval te betrekken bij het bepalen van de ontslagvergoeding.
Met de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft de kantonrechtersformule vanaf 1 juli 2015 plaats gemaakt voor de (wettelijke) transitievergoeding. Het maakt niet meer uit of een ontslag via het UWV of via de rechter plaatsvindt. Een ontslagen werknemer die gedurende twee jaar bij een werkgever heeft gewerkt, ontvangt een transitievergoeding. De transitievergoeding heeft een andere berekenwijze van de ontslagvergoeding met zich meegebracht. De lengte van het dienstverband speelt daarbij een rol. Maximaal bedraagt de transitievergoeding € 77.000,- of een jaarsalaris, indien het jaarsalaris hoger is dan dit bedrag.

Billijke vergoeding

Naast deze transitievergoeding kan een ontslagen werknemer de rechter vragen om een billijke vergoeding. Dit is het geval als het ‘niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’. De wet biedt de rechters geen handvatten hoe de billijke vergoeding berekend kan worden. In een recente zaak (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft de hoogste rechter van Nederland, de Hoge Raad, hierover een uitspraak gedaan.

In deze uitspraak geeft de Hoge Raad aan dat de billijke vergoeding gezien moet worden als compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had bepaald dat de billijke vergoeding een punitief en afschrikwekkend karakter moet hebben. Daarvan heeft de Hoge Raad bepaald dat de billijke vergoeding niet als doel het bestraffen van de werkgever heeft, maar dat het een compensatie is van de werknemer voor het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. In dat geval dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden bij de begroting van de billijke vergoeding, aldus de Hoge Raad.

In dit geval had de ontslagen werkneemster een parttime baantje met een salaris van € 224,51 bruto per maand. De kantonrechter had een billijke vergoeding van € 4.000,- bruto toegekend, welke beslissing is bekrachtigd door het Gerechtshof. Deze billijke vergoeding komt neer op bijna 1,5 jaarsalaris van deze werkneemster. Echter, dit gaat de Hoge Raad kennelijk niet ver genoeg. De gevolgen van het ontslag voor de werknemer mogen meewegen bij het vaststellen van de billijke vergoeding.

De uitspraak van Hoge Raad zal er waarschijnlijk voor zorgen dat er meer rekening gehouden zal gaan worden met de persoonlijke situatie van de werknemer, in gevallen waar verzocht wordt om een billijke vergoeding. De werkgever dient zich dan ook bewust te zijn van de grote(re) gevolgen die een ontslag met zich mee kan brengen, indien het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor vragen en/of advies kunt u zich wenden tot de arbeidsrecht specialisten van Helderecht Advocaten.

Apeldoorn, 10 juli 2017
Dhr. mr. C. (Ekrem) Karharman
Helderecht Advocaten

Definitie uitzendkracht

business-business-1238318-639x482

De uitzendkracht is een werknemer in dienst van de uitlener (het uitzendbureau) waarbij arbeid wordt verricht onder toezicht en leiding van het inlenende bedrijf.

Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen een (reguliere) arbeidsovereenkomst en een uitzendovereenkomst nu op de uitzendovereenkomst bijzondere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. De uitzendkracht geniet minder bescherming dan een werknemer die arbeid verricht op grond van een reguliere arbeidsovereenkomst. Zo maakt een werknemer op basis van een uitzendovereenkomst minder snel aanspraak op een vast contract en kan eenvoudiger worden ontslagen. Zo geldt de ketenregeling niet voor een uitzendkracht gedurende de eerste 26 weken waarin arbeid wordt verricht.

Uit de tekst van artikel 7:690 BW volgt dat alle arbeidsovereenkomsten uitzendovereenkomsten zijn voor zover de werknemer door de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde (1) om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten (2) onder toezicht en leiding van die derde (3).

Of ook is vereist dat de uitlener vraag en aanbod bij elkaar brengt (4) is geruime tijd onduidelijk geweest. In de literatuur en rechtspraak werd over deze zogenaamde ‘allocatiefunctie’ geen eenduidige lijn getrokken. De Hoge Raad heeft daar op 4 november 2016 verandering in gebracht. In de wettelijke definitie van de uitzendovereenkomst is geen allocatiefunctie besloten, aldus de Hoge Raad.

Nu de allocatiefunctie niet langer een noodzakelijke voorwaarde is, is de definitie van de uitzendovereenkomst aldus verruimd.

Oudere berichten